De coronacrisis blijft ook in de vastgoedsector niet onopgemerkt. Huurders worden geconfronteerd met sluitingen wegens overheidsmaatregelen en vragen huurprijsvermindering. Inmiddels deden voorzieningenrechters hierover de eerste uitspraken.

Op 27 mei 2020 deed de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Nederland uitspraak in een procedure tussen een verhuurder en huurder van een café-pand over het betalen van huur en een eventuele huurprijsvermindering ten tijde van de corona-crisis. Kort gezegd oordeelde de voorzieningenrechter dat in dit geval een tijdelijke huurprijsvermindering niet onredelijk is, maar de voorzieningenrechter overwoog ook dat ten tijde van de uitspraak niet duidelijk was of, en zo ja wanneer, er sprake zal zijn van een dusdanige versoepeling van de overheidsmaatregelen dat een huurprijsvermindering niet meer op zijn plaats is.

Op 29 mei 2020 deed ook de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Arnhem uitspraak. Dit betreft een vonnis over de huur van stadion Gelredome door Vitesse. Vitesse vordert daarin – kort gezegd – (gedeeltelijke) terugbetaling van de reeds betaalde huur over april en mei 2020 en verder een verbod voor de verhuurder om de huur op te eisen (geheel dan wel voor de helft), omdat zij het stadion vanwege overheidsmaatregelen niet (althans zeer beperkt) kan gebruiken. De rechter overweegt dat sprake is van onvoorziene omstandigheden, omdat partijen bij het sluiten van de huurovereenkomst geen rekening konden houden met de coronapandemie. De rechter oordeelt ook dat onvoorziene omstandigheden een grondslag voor een tijdelijke wijziging van de huurovereenkomst (tijdelijke huurprijsvermindering) kunnen zijn. Vitesse heeft haar vorderingen echter onvoldoende onderbouwd, zodat haar vorderingen worden afgewezen. Volgens de rechter is Vitesse daarom toch gehouden om de volledige huur te betalen.

Op 3 juni 2020 heeft de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Overijssel eveneens geoordeeld over de verplichting tot huurbetaling in coronatijd. Ook in dit geval haalde huurder bakzeil, maar wel om andere redenen. Huurder en verhuurder van een horecapand hadden al voor de coronacrisis een geschil over onder meer de hoogte van de huurprijs. Vanwege dat geschil had de huurder de huurbetaling al opgeschort, al voordat zij haar deuren moest sluiten vanwege de overheidsmaatregelen tegen de coronapandemie. In kort geding vordert verhuurder betaling van de achterstallige huurpenningen. Huurder verweert zich daartegen en beroept zich onder meer op opschorting vanwege de coronacrisis. De Voorzieningenrechter passeert dat verweer van de huurder en oordeelt dat de sluiting vanwege de overheidsmaatregelen voor rekening van huurder dient te komen. De Voorzieningenrechter overweegt daarbij dat de huurder op grond van de toepasselijke algemene bepalingen ervoor moet zorgen dat zij beschikt over de voor haar bedrijfsvoering benodigde vergunningen en dat intrekking daarvan niet kan leiden tot enige actie tegen de verhuurder. De rechter legt dat zo uit dat de sluiting contractueel voor risico van huurder komt. Wel overweegt de Voorzieningenrechter dat partijen zich over en weer redelijk dienen te gedragen. Verhuurder had huurder al aangeboden te overleggen over een gedeeltelijk betalingsuitstel. Dat lijkt de Voorzieningenrechter een redelijke oplossingsrichting. Maar de huurder dient wel te betalen.

Het betreft drie kort gedingprocedures, zodat er sprake is van voorlopige oordelen. Ook zijn vanzelfsprekend de omstandigheden van het geval van belang.

Wilt u meer weten over uw rechten en plichten uit een huurovereenkomst, neem dan contact op met Daphne Buren-Baks of Jan Michiel de Heer.