In een eerder blog beschreef advocaat Anton Beneder in hoeverre een bestuurder van een vennootschap zijn bestuurderschap kan ontkennen ondanks de inschrijving in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. Dit keer beschrijft hij aan de hand van een recent arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden 1 op welke wijze een procespartij een geslaagd beroep toekomt op het ‘stellig ontkennen’ van zijn ondertekening van een overeenkomst.

Deze zaak had betrekking op een geschil tussen de huurder en verhuurder van een minivan als gevolg van de – door beide partijen overeengekomen - tussentijdse beëindiging van de huurovereenkomst. In het kader van deze beëindiging hebben partijen een verklaring ondertekend waarin is vastgelegd dat de verhuurder een gedeelte van de reeds betaalde huurprijs, te weten een bedrag van EUR 1.790, aan de huurder zou terugbetalen. Ondanks verzoeken daartoe van de huurder, bleef betaling door de verhuurder uit. De huurder betrok de verhuurder daarop in rechte en vorderde betaling van voormeld bedrag, vermeerderd met rente en kosten.

In de (kanton)procedure deed de verhuurder een beroep op een andere – later overeengekomen - verklaring, dan de verklaring die de huurder aan zijn vordering ten grondslag had gelegd. In deze (latere) verklaring is vastgelegd dat het bedrag van EUR 1.790 door de verhuurder in contanten is betaald aan de huurder en dat de eerdere verklaring is komen te vervallen. Ondanks het feit dat de huurder gedurende de procedure heeft betwist dat de handtekening onder de (latere) verklaring van hem afkomstig is, wijst de kantonrechter zijn vordering af en veroordeelt hem in de proceskosten. Volgens de kantonrechter zou de huurder in onvoldoende mate hebben betwist dat de betreffende handtekening van hem zou zijn. Het hoger beroep richt zich voornamelijk op deze overweging van de kantonrechter.

In het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in artikel 157 lid 2 geregeld dat een onderhandse akte - ten aanzien van de daarin vervatte verklaring van een partij -dwingend bewijs oplevert van de inhoud van die verklaring. De verklaring waarop de verhuurder zich beroept, kwalificeert als onderhandse akte en zou daarom dwingend bewijs opleveren voor wat betreft zijn stelling dat het bedrag al door hem is betaald. Dat zou anders zijn wanneer zich de situatie van artikel 159 lid 2 Rv voordoet, te weten ingeval de huurder ‘stellig ontkent’ dat de handtekening onder de verklaring van hem afkomstig is. In dat geval levert deze verklaring geen bewijs op zolang niet bewezen is van wie deze handtekening is.

Naar het oordeel van het Hof heeft de huurder zowel in eerste aanleg als in hoger beroep stellig ontkend dat de handtekening onder de akte van hem is. Anders dan de kantonrechter heeft overwogen, is voor ‘stellig ontkennen’ niet vereist dat degene die ontkent gemotiveerd dient aan te geven dat en waarom de handtekening niet van hem afkomstig is. Voldoende is dat de betrokkene met duidelijke en ondubbelzinnige bewoordingen verklaart dat de handtekening onder de akte niet de zijne is. Hiervan is volgens het Hof sprake, nu in de conclusie van repliek en in de memorie van grieven van de huurder de navolgende passages zijn opgenomen:

‘Eiser heeft niets ontvangen van gedaagde en betwist uitdrukkelijk het bestaan van de door gedaagde ingebrachte verklaring waarvan de handtekening niet van eiser is’;

en

‘Appellant betwist ten stelligste dat het zijn handtekening is.’

Gelet op het voorgaande levert de schriftelijke verklaring waarop de verhuurder zich beroept geen bewijs op, zolang niet is bewezen van wie de ondertekening afkomstig is. Het is nu aan de verhuurder om te bewijzen dat de handtekening wel degelijk van de huurder afkomstig is. Doordat de verhuurder in hoger beroep niet is verschenen en ander bewijs niet voorhanden is, trekt hij aan het kortste eind. Het Hof vernietigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de vordering van de huurder (alsnog) toe.

In dit geval was het (stellig) ontkennen door de huurder voldoende. Echter, op het moment dat de verhuurder wel in de appelprocedure was verschenen en aannemelijk had gemaakt dat de handtekening van de huurder was, dan had laatstgenoemde niet kunnen volstaan met de enkele mededeling dat de handtekening niet van hem afkomstig is.2

Voor meer informatie over bewijs- en procesrecht of vragen naar aanleiding van dit artikel kunt u contact opnemen met Anton Beneder of een van de andere professionals van De Bok.


[1] Hof Arnhem-Leeuwarden 12 maart 2019, ECLI:GHARL:2019:2299.
[2] Vgl. o.a. Rechtbank Overijssel 8 mei 2013, ECLI:NL:RBOVE:2013:CA2970; Hof ’s-Hertogenbosch 20 april 2017, zaaknr. 55322227.