Is het mogelijk bestuurderschap te ontkennen als je bent ingeschreven als bestuurder in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel? Aan de hand van een recente uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland bespreekt insolventierecht advocaat Anton Beneder deze vraag en benadrukt hij de verantwoordelijkheden en risico’s van bestuurders na faillissement van de vennootschap.

In een recente zaak [1] vordert de curator van een failliete zwemschool dat de Rechtbank de bestuurder van de zwemschool veroordeelt tot betaling van het tekort in de boedel als gevolg van onbehoorlijk bestuur ex artikel 2:248 BW. De curator stelt dat onder andere niet is voldaan aan de administratie- en publicatieplicht, dat verlieslatende activiteiten zijn ontplooid en dat te hoge salarissen zouden zijn betaald.

Eén van de voornaamste twistpunten in deze zaak is of de gedaagde kwalificeert als bestuurder van de zwemschool. De curator stelt dat dit het geval was terwijl de gedaagde stelt dat zij enkel in loondienst werkzaam was bij de zwemschool in de functie van zwemlerares. Vast staat dat zij op de faillissementsdatum al enige tijd als bestuurder stond ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel.

De curator draagt de bewijslast van zijn standpunt dat gedaagde bestuurder was van de zwemschool. Volgens vaste rechtspraak komt de curator geen beroep toe op de derdenwerking van de Handelsregisterwet, indien de gedaagde betwist dat zij bestuurder is.[2] De curator zal dus meer feiten en omstandigheden moeten stellen - en zo nodig bewijzen - waaruit volgt dat de zwemlerares bestuurder was. De curator heeft in dat kader onder andere aangevoerd dat zij zelf het KvK-formulier heeft ondertekend, zij de administratie van de vennootschap deed en op haar salarisstrook als functieomschrijving ‘mede-eigenaar’ stond vermeld. De zwemlerares heeft daar tegenover gezet dat zij enkel aandeelhouder zou zijn, dat zij pas na de faillissementsdatum wist dat zij als bestuurder van de vennootschap stond ingeschreven in het Handelsregister en dat deze inschrijving op een misverstand zou berusten. Voorts zou geen benoemingsbesluit van de ava bestaan waarin zij wordt benoemd als bestuurder en zou zij nimmer bestuurswerkzaamheden hebben verricht. Zij zou alleen zwemles hebben gegeven.

 

 

 De Rechtbank oordeelt dat de curator vooralsnog voldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld om aan te nemen dat de zwemlerares bestuurder van de zwemschool was. Wel krijgt de zwemlerares de gelegenheid om tegenbewijs te leveren. De Rechtbank wijst erop dat de bewijslast hierdoor niet verandert en dus op de curator blijft rusten. Het is dan ook niet aan de zwemlerares om haar stelling te bewijzen, maar om de stelling van de curator te ontkrachten. Indien zij hierin niet slaagt, dan lijkt de toewijzing van de vordering(en) van de curator voor de hand te liggen. De Rechtbank heeft namelijk in verband met een vlot verloop van de procedure alvast een voorlopig oordeel gegeven over de overige twistpunten in deze zaak, te weten de vraag of sprake is van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur en - zo ja - of deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement is.


De Rechtbank stelt in dat kader vast dat de administratie op datum faillissement niet op orde was en dat niet is voldaan aan de publicatieplicht als gevolg waarvan – gelet op artikel 2:248 lid 2 BW - wordt aangenomen dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld. De schending van de administratieplicht kan volgens de Rechtbank niet worden ‘geheeld’ door na het faillissement alsnog de administratie bij te werken. De Rechtbank overweegt verder dat – ingeval vast komt te staan dat de zwemlerares bestuurder was – de conclusie van onbehoorlijke taakvervulling ook voor haar geldt. De omstandigheid dat zij geen beheersdaden zou hebben verricht, maakt dat niet anders. Het gaat hier immers om de collectieve verantwoordelijkheid van het bestuur van de zwemschool. Op grond van artikel 2:9 lid 2 BW draagt elke bestuurder verantwoordelijkheid voor de algemene gang van zaken. Daaronder moet ook worden verstaan het voeren van een deugdelijke administratie. De zwemlerares kan zich niet disculperen met de stelling dat zij zich niet heeft bemoeid met de administratie.

 

Gelet op het voorgaande is de zwemlerares er veel aan gelegen om overtuigend tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen stelling dat zij bestuurder was van de zwemschool. Zij kan dat doen bij akte en/of door het laten horen van getuigen. To be continued…

 

Voor meer informatie over bestuurdersaansprakelijkheid of vragen naar aanleiding van dit artikel kunt u contact opnemen met Anton Beneder of een van de andere professionals van De Bok.


[1] Rechtbank Midden-Nederland 11 juli 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:3115.

[2] Hoge Raad 28 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2114.